ouders_grootWaarom dit onderzoek?

Wat fijn dat uw kind meedoet aan ‘Als ik later groot ben’, het langlopende onderzoek naar hoe het gedrag, de sociale en schoolse ontwikkeling bij kinderen verloopt. We proberen erachter te komen waarom het ene kind zich optimaal ontwikkelt en het andere kind niet. Dit kunnen wij niet doen zonder de medewerking van u en uw kind. We meten de veranderingen in het gedrag en sociale ontwikkeling van uw kind en dat van honderden andere deelnemers door de jaren heen. Hierdoor hopen wij risicofactoren voor gedragsproblemen in beeld te kunnen brengen en oorzaken te achterhalen.

Doel

Tijdens de eerste jaren van de basisschool verandert er veel in het leven van een kind. Zo komt een kind in een groep van andere kinderen terecht waarmee hij of zij vriendschappen aan kan gaan, krijgt opeens een juf of meester en moet om leren gaan met de structuur en regels in de klas. Voor veel kinderen gaat dit vanzelf. Gaandeweg maken ze vriendjes en vriendinnetjes en leren ze wat wel en wat niet mag op school. Er zijn echter ook kinderen die hier moeite mee hebben en die bijvoorbeeld geen vriend(innet)jes hebben of zelfs gepest worden. Er zijn ook kinderen die de structuur van de klas moeilijk vinden en daardoor door de leerkracht gezien worden als opstandig of druk. Het leren op school kan vervolgens bemoeilijkt worden door deze problemen.

Door op tijd in te grijpen en goede begeleiding te bieden kan het risico op een minder goede ontwikkeling worden verkleind. Hiervoor is echter wel nodig dat alleen die kinderen worden opgemerkt die inderdaad risico lopen om zich minder goed te ontwikkelen. Momenteel bestaat er nog geen goed instrument waarmee dit signaleren vroegtijdig plaats kan vinden. Door informatie te verzamelen over een grote groep kinderen wordt informatie verkregen over waarom sommige kinderen zich goed en sommige kinderen zich minder goed ontwikkelen. Deze informatie is nodig om in de toekomst goed te kunnen signaleren en effectieve hulp te kunnen bieden.

Metingen

http://alsiklatergrootben.nl/wp-content/uploads/2014/09/foto-cirkel.pngBinnen het project ‘Als ik later groot ben’ wordt sinds 2011 jaarlijks op school een meting uitgevoerd. Dit betekent dat er tot nu toe zes metingen met succes zijn afgerond. Tijdens de jaarlijkse metingen vullen de kinderen enkele vragenlijsten in en maken ze een aantal computertaakjes. De kinderen worden hierbij begeleid door medewerkers van de Vrije Universiteit Amsterdam. Ook vullen de leerkrachten vragenlijsten in over de leerlingen. Daarnaast vragen we u als ouder om ook een vragenlijst voor ons in te vullen. Het merendeel van de ouders (79%) heeft die vragenlijst inmiddels ingevuld. Meer informatie over de metingen vindt u hier

Op deze en andere pagina’s vindt u enkele foto’s van een testdag. Deze foto’s zijn gemaakt door een fotografe van de Vrije Universiteit Amsterdam. De ouders van de jongen op de foto hebben speciaal toestemming gegeven voor het maken van deze foto’s. Andere kinderen zijn niet gefotografeerd. De rechten/copyright van de foto’s behoren tot de Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen.

Mijn Hart: Hartslagmeting

Ieder kind maakt het weleens mee: vaak willen klasgenootjes leuk met je spelen, maar opeens mag je niet meer meedoen. Hoe ervaart een kind dit? En hoe verwerkt het lichaam dit? Wij denken dat dit soort alledaagse situaties invloed hebben op de hartslag en afgifte van hormonen door het lichaam. Maar we weten niet of dit ook zo is bij kinderen. We weten ook niet of deze reacties bij elk kind hetzelfde zijn. Dat onderzoeken we in de deelstudie ‘Mijn Hart’.

Hoe ziet een testdag eruit?

Uw kind komt samen met u naar de Radboud Universiteit Nijmegen. In de testruimte plakken we een aantal plakkertjes op het bovenlichaam van uw kind. Zo kunnen we de hartslag meten. Uw kind kan dan de eigen hartslag zien! Ook nemen we een aantal keer speeksel bij uw kind af. In het speeksel kijken we naar cortisol. Dit hormoon zegt iets over hoe spannend uw kind het vindt. Daarna vult uw kind een aantal vragenlijsten in. Vervolgens gaat uw kind taakjes op een computer doen. Ook voert uw kind een gesprek met twee andere kinderen via de computer.

Wilt u meer weten?

Heeft u vragen en/of opmerkingen? Stuur dan een mailtje naar Pia Behnsen (p.m2.behnsen@vu.nl).


belgeel

Mijn Brein: fMRI onderzoek

Ieder kind maakt het wel een keer mee: vaak willen klasgenootjes leuk met je spelen, maar opeens mag je een keer niet mee doen. Hoe ervaart een kind dat? En belangrijker, hoe verwerken de hersenen van kinderen dit? Daarover gaat het deelonderzoek ‘Hersenreacties tijdens sociaal keuzegedrag bij kinderen’. Omdat uw kind al een aantal jaren vragenlijsten heeft ingevuld en taken heeft ingevuld kunnen we in combinatie met deze nieuwe studie goed uitspraken doen over de sociale ontwikkeling van kinderen. In totaal zullen 50 kinderen van verschillende scholen meedoen aan dit onderzoek.

Wat is fMRI onderzoek?

fMRI staat voor functional Magnetic Resonance Imaging. Dit betekent letterlijk het in beeld brengen van hersenen in actie met behulp van een grote magneet. Met een fMRI scan maken we foto’s van de hersenen. Als de hersenen druk bezig zijn verbruiken ze zuurstof. Dit is te vergelijken met een auto die benzine nodig heeft om te kunnen rijden. Zo hebben hersenen zuurstof nodig om te kunnen werken. Als we bezig zijn met iets, bijvoorbeeld met een puzzel, dan hebben bepaalde delen van de hersenen meer zuurstof nodig om te kunnen werken. Met fMRI kunnen we de verandering in zuurstof gehalte in beeld brengen en kunnen we dus zien welke delen van de hersenen gebruikt worden tijdens het oplossen van een puzzel.

Hoe ziet een fMRI testdag eruit?

Bij aankomst zullen we eerst kort uitleggen hoe de dag eruit ziet en nemen we de toestemmingsformulieren door. Vervolgens zal bij uw kind een verkort intelligentie onderzoek worden afgenomen. Ook vragen we u en uw kind een aantal vragenlijsten in te vullen. Vervolgens gaan we naar de fMRI scanner om te oefenen. Als alles duidelijk is, gaan we beginnen met foto’s maken. Tijdens uw bezoek zal een aantal keer speeksel worden verzameld bij uw kind. Dit speeksel wordt verzameld omdat we graag het cortisol-niveau in het speeksel willen meten gedurende de dag. Cortisol is een stofje dat vrijkomt bij stress. Door dit tijdens het onderzoek te meten kunnen we zien hoe spannend uw kind het vindt om sociale keuzes te maken.

Waar gaan de fMRI computertaken over?

Uw kind zal ook een aantal computertaken uitvoeren in de scanner. Deze taken zijn bedoeld om te kijken hoe uw kind sociale keuzes maakt. In één taak zal uw kind muntjes moeten verdelen. In een andere taak zal uw kind een balspel spelen.

Tweede meting

De kinderen die al eens hebben meegedaan, zullen we vragen om nogmaals mee te doen aan het fMRI onderzoek ‘Mijn Brein’. Het onderzoek gaat over hersenreacties tijdens sociaal keuzegedrag bij kinderen. De metingen zullen bijna hetzelfde zijn als de eerste keer. Hiermee kunnen we onderzoeken hoe de werking van het brein is veranderd sinds de eerste meting.

Wilt u meer weten?

Bekijk dan dit filmpje over de hersenen van het Klokhuis. Heeft u vragen en/of opmerkingen? Stuur dan een mailtje naar Susanne Asscheman (j.s.asscheman@vu.nl)!

cakjes

Als ik later groot ben – NEXT

ouders_groot

Sinds 2011 doen ruim 1500 basisschoolleerlingen mee aan het project ‘Als ik later groot ben’. In dit project onderzoeken we hoe het gedrag, de sociale, cognitieve en schoolse ontwikkeling bij kinderen verloopt. De oudste deelnemers zitten sinds dit schooljaar op de middelbare school. Een nieuwe spannende tijd is aangebroken. We willen de ontwikkeling van een aantal van deze jongeren blijven volgen in het vervolgproject Als ik later groot ben – NEXT.

De overgang naar de middelbare school is een periode met nieuwe uitdagingen: een nieuwe school, nieuwe klasgenoten, en nieuwe vakken. Er wordt meer zelfstandigheid van jongeren verwacht, bijvoorbeeld bij het maken van huiswerk. Veel jongeren krijgen nieuwe vrienden op de middelbare school. Daarnaast gaat de puberteit een rol spelen. De overgang naar de middelbare school brengt ook veranderingen voor de ouders met zich mee. Wat dit allemaal betekent voor de ontwikkeling van de jongeren zijn wij aan het onderzoeken.

Hoe onderzoeken we?

De metingen zijn grotendeels gelijk aan de metingen waaraan de deelnemers tijdens de basisschool al mee hebben gedaan. We doen in het voorjaar weer een meting in de klas. De jongeren voeren daarnaast een aantal testjes uit op de iPad. Ook vragen we de ouders een aantal vragenlijsten in te vullen. Dat gaat via het internet. Nieuw is dat de klasgenoten die nog niet op de basisschool meededen aan het onderzoek, nu voor het eerst meedoen. Zij doen alleen de klassikale meting, niet het individuele deel op de iPad of de vragenlijsten voor de ouders.

Een groot deel van de kinderen die al meededen vragen we om ook mee te doen aan het vervolgproject. Een medewerker van het project heeft telefonisch contact opgenomen met de ouders van deze kinderen, of doet dit binnenkort. De medewerker zal de toekomstige metingen met hen bespreken. Ook kan de medewerker eventuele vragen beantwoorden.

belgroen

Onderzoeksresultaten

Tijdens dit onderzoeksproject wordt een grote hoeveelheid informatie verzameld afkomstig van leerkrachten, leerlingen en ouders. De verzamelde gegevens van dit project worden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Met behulp van deze gegevens kunnen heel veel onderzoeksvragen worden beantwoord. De verzamelde onderzoeksgegevens worden gepubliceerd in wetenschappelijke (internationale) psychologische en medische tijdschriften. Met behulp hiervan wordt er gewerkt aan wetenschappelijk onderbouwd instrument waarmee kinderen die risico lopen emotionele- of gedragsproblemen te ontwikkelen vroegtijdig gesignaleerd kunnen worden.

Sinds de start van ‘Als ik later groot ben’ heeft het onderzoek al veel belangrijke resultaten opgeleverd. Nu zijn de eerste resultaten uit het speekselonderzoek bekend.

Hoe spannend is het in de klas?

Sommige kinderen vinden het spannend om met klasgenoten om te gaan. Andere kinderen vinden dit helemaal niet spannend. Als je iets spannend vindt, maakt je lichaam cortisol aan. Cortisol wordt ook wel het “stresshormoon” genoemd. We hebben cortisol gemeten in het speeksel. Hier hebben 300 kinderen aan meegedaan in het weekend. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen minder cortisol aanmaken als zij aardig worden gevonden door klasgenoten. Dit kan betekenen dat kinderen die aardig gevonden worden het minder spannend vinden in de klas.

Deze resultaten zijn verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift Psychoneuroendocrinology en hier https://doi.org/10.1016/j.psyneuen.2017.09.025 terug te lezen.

Eerdere resultaten uit het onderzoek ‘Als ik later groot ben’

  • De leerlingen in groep 2 en 3 (die voor de 2e keer meededen) scoorden op de taal-taakjes bij de tweede meting beter dan tijdens de eerste meting. Kinderen verbeteren tijdens het schooljaar dus in hun taalvaardigheid.
  • Leerlingen die hoger scoren op taalvaardigheid scoren hoger op de taak die het werkgeheugen meet.
  • Kinderen die hoger scoren op probleemgedrag hebben volgens de leerkracht meer problemen met leeftijdsgenoten en zijn minder prosociaal in de klas.
  • Kinderen die een hogere mate van probleemgedrag vertonen scoren lager op hun taalvaardigheid. Kinderen met gedragsproblemen lijken dus moeite te hebben met zowel het begrijpen van taal als het produceren van taal.
  • Kinderen die goed scoren op taalproductie behalen tevens een hoge score op taalbegrip.
  • Leerkrachten maken zich over het algemeen meer zorgen over kinderen die volgens hen meer probleemgedrag vertonen, dan over kinderen met minder probleemgedrag.
  • Kinderen met probleemgedrag zijn volgens de leerkrachten hyperactiever en vertonen volgens hen meer emotionele problemen.
  • Leerkrachten ervaren meer conflict in hun relatie met leerlingen naarmate deze kinderen volgens de leerkracht meer gedragsproblemen vertonen.
  • Leerlingen die meer conflict in hun relatie met de leerkracht ervaren, hebben leerkrachten die meer conflict ervaren in hun relatie met die leerlingen.
  • Leerkrachten rapporteren in 2011 zich evenveel zorgen over de leerlingen te maken en evenveel gedragsproblemen in de klas te ervaren als in 2012. De zorgen van de leerkracht en het verstorende gedrag in de klas lijken dus stabiel over het schooljaar heen.
  • Ouders beoordelen de fysieke gezondheid van hun kind gemiddeld met een 8,9.
  • 74,4% van de ouders doet vaak of bijna altijd uitstapjes met zijn/haar kind.
  • Bijna alle kinderen (96,4%) hebben volgens ouders minstens één goede vriend of vriendin.
  • 10% van de ouders geeft aan te denken dat zijn of haar kind weleens wordt getreiterd of gepest door andere kinderen.
  • 36% van de ouders rapporteert dat zijn of haar kind zenuwachtig is in nieuwe situaties en gemakkelijk zelfvertrouwen verliest.
  • 27,3% van de ouders rapporteert dat de opvoeding van de kinderen weleens een probleem binnen het gezin vormt.
  • De Wilde (2015) vond dat het werkgeheugen van onderbouwleerlingen bevorderd kan worden door een pro-sociale relatie met de leerkracht. Deze resultaten zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Abnormal Child Psychology en zijn hier https://link.springer.com/article/10.1007/s10802-015-0053-4 terug te lezen.
  • De omgeving waaraan mensen worden blootgesteld laat sporen achter in ons DNA (van Dongen, 2016).
  • Ons onderzoek toont aan dat kinderen tussen de 7 en 11 jaar ieder jaar een beetje meer risico (durven te) nemen. Over het algemeen stijgt risicogedrag vooral bij kinderen die weleens gepest zijn. Maar dit geldt niet voor iedere klas die meedoet met het onderzoek. In ongeveer de helft van de klassen vinden we geen verband tussen risicogedrag en gepest worden. Op dit moment onderzoeken we waar dit verschil tussen klassen mee te maken kan hebben.
  • Uit een van onze onderzoeken blijkt dat kinderen tussen de 7 en 11 jaar ieder jaar hogere scores hebben op een taak die meet hoeveel risico kinderen (durven te) nemen. Ook vonden wij dat kinderen met meer gedragsproblemen over het algemeen hoger scoren op de risico taak. Deze resultaten zijn gepubliceerd in The Journal of Child Psychology and Psychiatry en zijn hier https://doi.org/10.1111/jcpp.12943 terug te lezen.
  • We hebben onderzocht hoe ervaringen met klasgenoten samenhangen met lichamelijke reacties. Als een kind spannende dingen meemaakt wordt het hormoon cortisol aangemaakt. Dit wordt ook wel een “stresshormoon” genoemd. We hebben cortisol gemeten in speeksel. Ons onderzoek toont aan dat kinderen die door veel kinderen in de klas aardig gevonden worden, minder cortisol aanmaken op een dag in het weekend als ze thuis zijn.

Vertrouwelijkheid gegevens

Alleen kinderen waarvan ouders geen bezwaar aan hebben getekend doen mee aan het onderzoek. De verzamelde gegevens worden uitsluitend gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek wanneer wij hiervoor toestemming hebben van ouders. Gegevens worden altijd vertrouwelijk verwerkt en opgeslagen.
Alle deelnemers doen vrijwillig mee aan het onderzoek. U kunt uw medewerking te allen tijde opzeggen voor uzelf en/of voor uw kind(eren). Medewerking kan worden opgezegd door contact op te nemen met de onderzoekers.
Dit onderzoek is goedgekeurd door de Medisch Ethische Commissie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Dit betekent dat vastgestelde richtlijnen voor onderzoek, zoals het informeren van u en de omgang met de gegevens worden opgevolgd.

Onderzoekers

Bij het project ‘Als ik later groot ben’ zijn verschillende onderzoekers van de Vrije Universiteit Amsterdam betrokken. Hieronder vindt u een groepsfoto en namen van de onderzoekers. In de toekomst zullen er meer onderzoekers met de verzamelde gegevens gaan werken.

Bovenste rij v.l.n.r.: Prof.dr. Pol van Lier (hoofdonderzoeker), Alex van der Jagt (projectcoördinator en datamanager), Pia Behnsen (promovenda)

Middelste rij v.l.n.r.: Jacintha Tieskens (promovenda), dr. Marieke Buil (postdoc), Susanne Asscheman (promovenda)

Onderste rij v.l.n.r.: Miranda Lutz (promovenda), dr. Susanne Koot (universitair docent)

Team

Alle teamleden zijn betrokken bij velerlei inhoudelijke en praktische zaken rondom het project. Daarnaast heeft ieder een eigen interessegebied.

Prof. Dr. Pol van Lier

(hoofdonderzoeker) is hoogleraar Ontwikkelingspsychologie. Hij onderzoekt bij kinderen de rol van sociale stress op school op de ontwikkeling stress- en zelfregulatie. Pol van Lier is de hoofdonderzoeker van het project Als ik later groot ben.

Dr. Susanne Koot

(universitair docent, onderzoeker) onderzoekt het effect van sociale stress op (neuro)cognitieve ontwikkeling bij kinderen en adolescenten.

Dr. Marieke Buil

(postdoc, onderzoeker) onderzoekt hoe sociale ervaringen de werking van ons DNA beïnvloedt.

Jacintha Tieskens, MSc

(promovenda) onderzoekt de ontwikkeling van risicovol gedrag bij kinderen op de basisschool.

Susanne Asscheman, MSc

(promovenda) onderzoekt de onderliggende neurale mechanismen van sociaal keuzegedrag in het deelproject Mijn Brein.

Pia Behnsen, MSc

(promovenda) onderzoekt het effect van sociale spanning op hartslag en cognitief functioneren in het deelproject Mijn Hart.

Miranda Lutz, MSc

(promovenda) onderzoekt de ontwikkeling van impulsief gedrag bij kinderen en adolescenten.

Alex van der Jagt, MA

(projectcoördinator en datamanager) coördineert de jaarlijkse metingen van ‘Als ik later groot ben’. Ook organiseert en beheert hij de database.

Oud-medewerkers (niet op de foto): Stephanie Dankfort (coördinerend onderzoeker meting 4, 5 en 6), Roxanne Gal (coördinerend onderzoeker meting 5), Anna van der Meulen (promovenda), Amber de Wilde (promovenda), Dominique Maciejewski (promovenda), prof.dr. Hans Koot (projectleider)

Betrokken instellingen

Het project ‘Als ik later groot ben’ is een onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam, sectie Klinische Ontwikkelingspsychologie. Het onderzoek wordt gefinancierd door ZonMw, NWO, ERC en KNAW. Uiteraard kan het onderzoek niet worden uitgevoerd zonder meewerkende basisscholen. In totaal doen 23 basisscholen met hun groepen 6, 7 en 8 mee aan het project. Dat zijn in totaal zo’n 90 klassen met meer dan 1500 leerlingen. De basisscholen die meedoen bevinden zich in de regio’s Nijmegen en Winterswijk. Daarnaast doen ook basisscholen uit Almere, Amsterdam, Lelystad en een uit Tollebeek mee. In 2018 doen voor het eerst ook middelbare scholen mee.

Nieuws